"Love And Theft" deel 2

Onderstaande is een vervolg op het stuk "Love And Theft" van een paar dagen geleden.


Oktober 2001, "Love And Theft" is een maand eerder verschenen. Op internet vind ik een lijst met 35 titels van boeken en songs die Bob Dylan inspireerde bij het schrijven van de songs voor "Love And Theft". Shakespeare, John Donne, Nick Cave, Ernest Hemingway, Robert Johnson en Lewis Carroll, ze staan er allemaal op. Veel van de op de lijst genoemde song-  en boektitels worden door Dylan genoemd in de "Love And Theft"-teksten, zoals A Streetcar Named Desire van Tennessee Williams in Tweedle Dee & Tweedle Dum en Hopped Up Mustang van Bill Romberger en Arlen Sanders in High Water [For Charley Patton]. [De regel It got eight carburetors and it uses them all uit deze song van Romberger en Sanders vond een plek in een andere "Love And Theft"-song, namelijk Summer Days.]

Starend naar die lijst met de ogen van 25 jaar later valt niet alleen op dat er nog veel ontbreekt, maar ook dat de lijst zich concentreert op 'liefde en diefstal' van woorden, niet op de door Bob Dylan geleende muziek. Ik denk hierbij aan de song Uncle John's Bongos van Johnny & Jack die Dylan de blue print leverde voor Tweedle Dee & Tweedle Dum. Blijkbaar was in oktober 2001 - in tegenstelling tot wat ik me herinner - nog niet bekend dat er een directe lijn loopt van deze Johnny & Jack-song naar de opener van "Love And Theft".

Sommige ontdekkingen hebben blijkbaar wat meer tijd nodig, zoals de overeenkomst tussen Uncle John's Bongos en Tweedle Dee & Tweedle Dum. Of de reden waarom "Love And Theft" begint met een fade in - een langzaam opdraaien van het volume. Ik heb mij lang afgevraagd waarom Bob Dylan ervoor heeft gekozen om "Love And Theft" zo te beginnen, tot ik me realiseerde dat dat langzaam op sterkte komen het geluid is van een net ingeschakelde buizenradio. Dat is het apparaat waarop Bob Dylan in zijn jonge jaren naar muziek luisterde. "Love And Theft" - het eerste deel van die titel zegt het al - is vooral ook sentiment, het herbeleven van de eigen jeugd door een [bijna] zestiger.

Wat niet veel tijd nodig had was het ontdekken hoe goed ik "Love And Theft" vond [en vind]. Dat wist ik vrij snel na aanschaf van het album. Mijn 2001-zelf was een arrogant mannetje dat wild om zich heen kon slaan wanneer anderen een andere mening dan de mijne waren toegedaan. Zo moest bijvoorbeeld Trouw-recensent Stan Rijven het ontgelden. Een dag nadat zijn recensie in de krant verscheen, kroop ik in de pen om een en ander 'even recht te zetten'. Niet mijn finest hour, maar volledigheidshalve neem ik de ingezonden brief in z'n geheel over:

De recensie van Stan Rijven van Bob Dylans "Love And Theft" [Trouw 13/09/2001] behoeft mijns inziens enkele aanvullingen en verbeteringen.

Stan Rijven begint zijn recensie met: "Om maar met de deur in huis te vallen: het enige memorabele aan Bob Dylans nieuwste album is de release-datum. Uitgerekend op de dag dat Amerika in brand staat verschijnt 'Love And Theft'." Beste Stan Rijven, wat hebben de verschrikkingen in Amerika te maken met het nieuwe Dylan album? Ik kan en wil het maar niet inzien. Jouw taak als recensent lijkt mij het recenseren van een album en niet het schrijven over de verschrikkingen in Amerika, daarvoor zijn andere kolommen in Trouw gereserveerd.

Het album is overigens niet wereldwijd op 11 september verschenen, in sommige delen van de wereld was het album al een dag eerder te verkrijgen. [Het enige memorabele aan Bob Dylans nieuwste album is d release-datum. Uitgerekend één dag voor Amerika in brand staat verschijnt "Love And Theft".]

Rijven citeert een regel ["What is good for you is good for me"] uit Tweedle Dee & Tweedle Dum om aan te tonen dat "Love And Theft", tekstueel gezien, een volslagen zwaktebod is van "een zestiger die ooit het zingende geweten van Amerika was." Ik vind het nogal makkelijk om één [1!] wat zwakkere regel eruit te lichten om aan te tonen dat "Love And Theft", tekstueel gezien, een volslagen [!] zwaktebod is. Het is niet moeilijk om van hetzelfde album een dozijn sterke regels te citeren of uit het werk van ieder willekeurig gekozen dichter een dozijn zwakke regels te lichten. Daarnaast snijdt Rijven zichzelf in de vingers met de woorden "ooit het zingende geweten van Amerika". Ten eerste: sinds wanneer is een 'entertainer' verplicht om te voldoen aan een opgelegde reputatie? En ten tweede: wat is het nut van het beoordelen van een recent album naar aanleiding van een reputatie die de maker van het album ooit had?

Rijven: "'Love And Theft', Dylans 38ste plaat, maakt desondanks zijn titel waar." [Hoe ik ook tel, ik kom niet op 38 albums uit, maar dit terzijde] "Bob betuigt zijn 'liefde' voor de Amerikaanse songtraditie in een los-zand-reeks vol sentimentele country, rock, blues en jazz." Hier kan ik me nog redelijk in vinden, maar dan: "De 'diefstal' schuilt in het clichématig plunderen van eigen oeuvre." Wat een onzin! Waarschijnlijk is dit ook de reden dat Stan Rijven geen voorbeelden geeft van dit zogenaamde plunderen van eigen oeuvre. Waar schuilt de diefstal dan wel in? Dylan steelt van de 'oude' muziek, zowel muzikaal als tekstueel, en uit de literatuur. Iets wat hij overigens op al zijn albums heeft gedaan. Enkele voorbeelden aangaande de teksten: "a streetcar named Desire" [uit Tweedle Dee & Tweedle Dum. De titel van deze song is overigens óók gejat [Lewis Carroll - Through The Looking Glass, hoofdstuk 4]], "the cuckoo is a pretty bird, she warbles as she flies" [uit de folksong The Cuckoo Bird] en "I believe I'll dust my broom" [titel van en tekst uit een song o.a. opgenomen door Robert Johnson] [beide uit High Water [For Charlie Patton]], om over de Shakespeare-verwijzingen in Po' Boy maar te zwijgen.

Rijven: "Ook de lobby die Dylan voor de Nobelprijs heeft voorgedragen zal zich verbaasd achter de oren krabben." Ik ben het eens met Stan Rijven dat "Love And Theft" nou niet het album is, hoe sterk het album ook is, dat de Nobelprijs verdient [NB anno 2026 denk ik daar anders over, TW], maar "Love And Theft" is wel een aanvulling op een oeuvre dat in zijn geheel, dus inclusief "Love And Theft", de Nobelprijs verdient.

Ik vind het nogal triest dat 'het gilde der recensenten' er een gewoonte van gemaakt heeft om in de bespreking van boeken en cd's geheel niet ter zake doende feiten op te voeren [de gebeurtenissen in Amerika] en / of fouten in de feiten te maken [38ste plaat]. Stan Rijven is overigens geen uitzondering. In de laatste vijf jaar heb ik tientallen artikelen over Bob Dylan in tijdschriften en dagbladen gelezen die allemaal [!] één of meerdere fouten bevatten. Ik heb het over simpele, makkelijk te controleren feiten, niet over meningen of smaak. Niemand hoeft mijn bewondering voor het werk van Bob Dylan te delen. Het enige dat ik verwacht is een eerlijke, foutloze recensie zonder toespelingen op geheel niet ter zake doende gebeurtenissen.

Tot slot dit: ik heb veel commentaar\op de recensie die Stan Rijven heeft geschreven over "Love And Theft", maar Stan Rijven maakt het niet zo bont als sommige van zijn collega's, dan denk ik vooral aan Sjoerd de Jong [NRC Handelsblad] die er haast een sport van heeft gemaakt om fouten te maken in zijn berichtgeving over Dylan. Ik blijf het echter onacceptabel vinden dat Rijven refereert aan de gebeurtenissen in Amerika in een recensie van een cd.

Bovenstaand stuk werd niet in Trouw geplaatst. Ook ontving ik geen enkele reactie van de krant. Achteraf kan ik de redactie van Trouw alleen maar gelijk geven. Ik was een arrogant mannetje vol van zijn onvoorwaardelijke bewondering voor Bob Dylans "Love And Theft".

Geen opmerkingen:

Een reactie posten